Reacties
Marc Vermeulen, AOb mag Professioneel statuut opstellen, maar niet onderhouden. Spierballentaal en politieke kunstjes
AOb mag Professioneel statuut
opstellen, maar niet onderhouden
Spierballentaal en politieke kunstjes
De AOb gaat het Professioneel statuut voor de leraar opstellen. Dat
initiatief verdient warme ondersteuning, vindt Marc Vermeulen,
hoogleraar onderwijssociologie. Hij verzoekt de bond wel dringend zich
er verder niet al teveel mee te bemoeien. Dat lijkt tegenstrijdig, maar
Vermeulen legt uit waarom dat wel meevalt.
Marc Vermeulen
Leraren hebben slecht gezorgd voor hun eigen identiteit, tenminste als
je dat vergelijkt met medici, advocaten of architecten. Leraren zijn de
experts op het gebied van leren en onderwijzen. Daar zijn ze voor
opgeleid. Uiteraard is die expertise bij de ene leraar beter ontwikkeld
dan bij de andere, maar dat neemt niet weg dat leraren de kern van het
leren behartigen. Iedereen is doordrongen van het belang van goed
onderwijs. Het is verrassend om te zien hoe weinig degenen die daar in
eerste instantie verantwoordelijk voor zijn gewaardeerd worden. We
hebben geen heldhaftige verhalen over leraren, in de media worden ze
meestal wat verzuurd en stoffig afgeschilderd en een goede soap over
het wel en wee in lerarenkamer haalt de tv niet. Zowel het individuele
als het collectieve imago van leraren staat onder druk en dat uit zich
in lerarentekorten, voortdurende discussies over kwaliteit en werkdruk
en wantrouwen over wat leraren nu eigenlijk precies doen.
Het Professioneel statuut oogt een beetje bedaagd, maar kan mijns
inziens een belangrijke rol spelen in het versterken van de positie van
leraren. Zo’n statuut biedt hen namelijk een moreel kader waar ze zich
op kunnen beroepen bij allerlei discussies in en over onderwijs. Als
een school bijvoorbeeld besluit uit bezuinigingsoverwegingen het aantal
contacturen te verminderen, hebben leraren een gemeenschappelijk code
die hen ondersteunt in het verzet daar tegen. De overheid schrijft
minder voor en een gevolg daarvan is dat er meer lokale variatie komt.
Nederland liep in dat opzicht al voor omdat we op basis van artikel 23
van de grondwet in vergelijking met een aantal andere landen al
relatief veel vrijheid hebben. Anders dan in andere landen kennen wij
geen nationaal leerplan. Toch sponnen een groot aantal andere
regelingen (eindexamens, voorzieningen, bevoegdheden) een vrij dicht
web om scholen en leraren en dat beperkte hun vrijheid. De bestuurlijke
verhoudingen zijn zodanig aan het verschuiven dat centrale regelgeving
steeds minder gaat bepalen hoe er lesgegeven wordt. Daarmee komen veel
vragen over de inrichting van het onderwijs terecht in de driehoek
tussen ouder/kind, schoolleiding en leraar. Deze drie partijen zijn
amper gewend om met elkaar het gesprek te voeren over waarom het
onderwijs aangeboden wordt in de huidige vorm.
Eed van Hippocrates
In schoolorganisaties zijn de checks and balances op dit moment dan ook
niet op orde. Anders dan in het deurportaal van de klas en tijdens
tienminutengesprekken vindt er nauwelijks afstemming plaats tussen
wensen van ouders en wat leraren vinden. Er is een venijnig debat over
de verhouding tussen schoolleiding en werkvloer gaande. Ook in het
artikel op pagina 34 van dit blad over het statuut druipt het
wantrouwen tegen management en bureaucraten ervan af. Ik deel dat niet,
omdat ik ervan overtuigd ben dat ook onderwijsmanagers proberen goed
onderwijs te maken. Wat ik wel deel is het argument dat leraren en hun
leidinggevenden elkaar onvoldoende ontmoeten in de scholen en te weinig
in debat gaan. Opvallend is dat leraren (met uitzondering van
universitaire docenten) geen deel uitmaken van het bestuur van de
organisatie. Daarnaast lijken de managers in het onderwijs er veel
beter in te slagen zich te organiseren en te professionaliseren.
Leraren lopen achter en daar moet een einde aan komen. Het
Professioneel statuut geeft hen daarbij een steun in de rug. Ik heb op
een andere plaats de vergelijking gemaakt met de eed van Hippocrates.
Daaraan ontlenen artsen een gezagsvolle stem in allerlei discussies
over hun vak. Dat gezag ontlenen ze enerzijds aan de collectiviteit
(alle artsen leggen die eed af) en anderzijds aan het morele gehalte:
in de eed staat niets over arbeidsvoorwaarden, macht of structuur. Die
eed vertolkt de ethische beginselen van de geneeskunde en is daarmee
boven allerlei verdenkingen van oneerbare zaken verheven.
Een professioneel statuut heeft alleen zin als het duidelijk is en hoge
kwaliteitseisen stelt. Leraren moeten dan ook vaker in eigen kring
schoon schip maken en mensen die er de kantjes vanaf lopen moeten
ontmaskeren. Vaak zie je dat een professioneel statuut vormgegeven
wordt in één of ander register en dat door middel van tuchtrechtspraak
wanpresteerders de toegang tot de beroepsuitoefening ontzegd kan
worden. Er moeten ook inhoudelijke eisen gesteld worden aan wie wel of
niet zich mag beroepen op het statuut: niet iedereen die zichzelf
leraar noemt, komt zonder meer in aanmerking om de bescherming van het
statuut te kunnen inroepen. Je moet daarvoor aan kwaliteitseisen
voldoen en die ook aantoonbaar waarmaken. Naar mijn mening is dat ook
een belangrijke volgende stap: te bepalen hoe de eer die met een
professioneel statuut ingelegd wordt, tot verplichtingen leidt voor
degenen die zich erop gaan beroepen.
Machtsvertoon
Het Professioneel statuut moet gaan over de kwaliteit van het
leraarsvak. Het moet een verklaring zijn die respect afdwingt,
vertrouwen wekt en zo gezagsvol wordt. De verklaring moet vooral niet
gaan over de omstandigheden waaronder het beroep beoefend moet worden
en wat ermee verdiend wordt. Dat is een wat gekunsteld onderscheid,
maar wel belangrijk. Natuurlijk is het zo dat laag betaalde leraren in
overvolle klassen slechter lesgeven. Toch moet ervoor gezorgd worden
dat de discussie over de kwaliteit van onderwijs niet gebruikt wordt om
allerlei arbeidsvoorwaardelijke zaken voor elkaar te krijgen.
Wat mij betreft is het nuttig dat de AOb het voortouw neemt in het
vormgeven van het Professioneel statuut, maar vanaf hier moeten de
bonden naar de achtergrond treden. De bond is in eerste instantie de
partij die op basis van machtsprocessen met overheid en werkgevers een
goed pakket van arbeidsvoorwaarden op moet stellen. Daarin past behalve
goed overleg ook af en toe spierballentaal, politieke kunstjes en enig
machtsvertoon. Dat alles staat haaks op de ontwikkeling van gezagsvolle
richtingaanwijzers voor de kwaliteit van leraarschap. Het statuut moet
door en voor de beroepsgroep gedragen worden, moet non-politiek en
onafhankelijk zijn en een breed draagvlak krijgen. De realiteit van de
vakbewegingen is dat amper aan deze voorwaarden voldaan wordt en
daarmee zijn bonden ook niet de aangewezen partij om het statuut te
onderhouden.
In het Engels is het verschil tussen statue en statute maar één letter.
Een professioneel statuut bouwt aan een monument voor leraarschap. Als
jongetje voetbalde ik op een plein met daarop een groot standbeeld van
Schaepman. Dat beeld dwong respect en gezag af. Ontkerkelijkt als ik
ben geloof ik nog steeds wel in de heilzame werking van monumenten. Ze
symboliseren het belang dat een samenleving hecht aan een fenomeen. Wat
mij betreft wordt het Professioneel statuut de moderne variant van het
bronzen beeld van Schaepman.





