AOb

professioneelstatuut.nl

Reacties


 

Marc Vermeulen, AOb mag Professioneel statuut opstellen, maar niet onderhouden. Spierballentaal en politieke kunstjes

 

Walter Dresscher, De leraar als werknemer en als professional: hoe zeggenschap kan bijdragen aan goed onderwijs.

 


AOb mag Professioneel statuut opstellen, maar niet onderhouden Spierballentaal en politieke kunstjes


De AOb gaat het Professioneel statuut voor de leraar opstellen. Dat initiatief verdient warme ondersteuning, vindt Marc Vermeulen, hoogleraar onderwijssociologie. Hij verzoekt de bond wel dringend zich er verder niet al teveel mee te bemoeien. Dat lijkt tegenstrijdig, maar Vermeulen legt uit waarom dat wel meevalt.

Marc Vermeulen


Leraren hebben slecht gezorgd voor hun eigen identiteit, tenminste als je dat vergelijkt met medici, advocaten of architecten. Leraren zijn de experts op het gebied van leren en onderwijzen. Daar zijn ze voor opgeleid. Uiteraard is die expertise bij de ene leraar beter ontwikkeld dan bij de andere, maar dat neemt niet weg dat leraren de kern van het leren behartigen. Iedereen is doordrongen van het belang van goed onderwijs. Het is verrassend om te zien hoe weinig degenen die daar in eerste instantie verantwoordelijk voor zijn gewaardeerd worden. We hebben geen heldhaftige verhalen over leraren, in de media worden ze meestal wat verzuurd en stoffig afgeschilderd en een goede soap over het wel en wee in lerarenkamer haalt de tv niet. Zowel het individuele als het collectieve imago van leraren staat onder druk en dat uit zich in lerarentekorten, voortdurende discussies over kwaliteit en werkdruk en wantrouwen over wat leraren nu eigenlijk precies doen.
Het Professioneel statuut oogt een beetje bedaagd, maar kan mijns inziens een belangrijke rol spelen in het versterken van de positie van leraren. Zo’n statuut biedt hen namelijk een moreel kader waar ze zich op kunnen beroepen bij allerlei discussies in en over onderwijs. Als een school bijvoorbeeld besluit uit bezuinigingsoverwegingen het aantal contacturen te verminderen, hebben leraren een gemeenschappelijk code die hen ondersteunt in het verzet daar tegen. De overheid schrijft minder voor en een gevolg daarvan is dat er meer lokale variatie komt. Nederland liep in dat opzicht al voor omdat we op basis van artikel 23 van de grondwet in vergelijking met een aantal andere landen al relatief veel vrijheid hebben. Anders dan in andere landen kennen wij geen nationaal leerplan. Toch sponnen een groot aantal andere regelingen (eindexamens, voorzieningen, bevoegdheden) een vrij dicht web om scholen en leraren en dat beperkte hun vrijheid. De bestuurlijke verhoudingen zijn zodanig aan het verschuiven dat centrale regelgeving steeds minder gaat bepalen hoe er lesgegeven wordt. Daarmee komen veel vragen over de inrichting van het onderwijs terecht in de driehoek tussen ouder/kind, schoolleiding en leraar. Deze drie partijen zijn amper gewend om met elkaar het gesprek te voeren over waarom het onderwijs aangeboden wordt in de huidige vorm.

Eed van Hippocrates

In schoolorganisaties zijn de checks and balances op dit moment dan ook niet op orde. Anders dan in het deurportaal van de klas en tijdens tienminutengesprekken vindt er nauwelijks afstemming plaats tussen wensen van ouders en wat leraren vinden. Er is een venijnig debat over de verhouding tussen schoolleiding en werkvloer gaande. Ook in het artikel op pagina 34 van dit blad over het statuut druipt het wantrouwen tegen management en bureaucraten ervan af. Ik deel dat niet, omdat ik ervan overtuigd ben dat ook onderwijsmanagers proberen goed onderwijs te maken. Wat ik wel deel is het argument dat leraren en hun leidinggevenden elkaar onvoldoende ontmoeten in de scholen en te weinig in debat gaan. Opvallend is dat leraren (met uitzondering van universitaire docenten) geen deel uitmaken van het bestuur van de organisatie. Daarnaast lijken de managers in het onderwijs er veel beter in te slagen zich te organiseren en te professionaliseren. Leraren lopen achter en daar moet een einde aan komen. Het Professioneel statuut geeft hen daarbij een steun in de rug. Ik heb op een andere plaats de vergelijking gemaakt met de eed van Hippocrates. Daaraan ontlenen artsen een gezagsvolle stem in allerlei discussies over hun vak. Dat gezag ontlenen ze enerzijds aan de collectiviteit (alle artsen leggen die eed af) en anderzijds aan het morele gehalte: in de eed staat niets over arbeidsvoorwaarden, macht of structuur. Die eed vertolkt de ethische beginselen van de geneeskunde en is daarmee boven allerlei verdenkingen van oneerbare zaken verheven. Een professioneel statuut heeft alleen zin als het duidelijk is en hoge kwaliteitseisen stelt. Leraren moeten dan ook vaker in eigen kring schoon schip maken en mensen die er de kantjes vanaf lopen moeten ontmaskeren. Vaak zie je dat een professioneel statuut vormgegeven wordt in één of ander register en dat door middel van tuchtrechtspraak wanpresteerders de toegang tot de beroepsuitoefening ontzegd kan worden. Er moeten ook inhoudelijke eisen gesteld worden aan wie wel of niet zich mag beroepen op het statuut: niet iedereen die zichzelf leraar noemt, komt zonder meer in aanmerking om de bescherming van het statuut te kunnen inroepen. Je moet daarvoor aan kwaliteitseisen voldoen en die ook aantoonbaar waarmaken. Naar mijn mening is dat ook een belangrijke volgende stap: te bepalen hoe de eer die met een professioneel statuut ingelegd wordt, tot verplichtingen leidt voor degenen die zich erop gaan beroepen.

Machtsvertoon

Het Professioneel statuut moet gaan over de kwaliteit van het leraarsvak. Het moet een verklaring zijn die respect afdwingt, vertrouwen wekt en zo gezagsvol wordt. De verklaring moet vooral niet gaan over de omstandigheden waaronder het beroep beoefend moet worden en wat ermee verdiend wordt. Dat is een wat gekunsteld onderscheid, maar wel belangrijk. Natuurlijk is het zo dat laag betaalde leraren in overvolle klassen slechter lesgeven. Toch moet ervoor gezorgd worden dat de discussie over de kwaliteit van onderwijs niet gebruikt wordt om allerlei arbeidsvoorwaardelijke zaken voor elkaar te krijgen. Wat mij betreft is het nuttig dat de AOb het voortouw neemt in het vormgeven van het Professioneel statuut, maar vanaf hier moeten de bonden naar de achtergrond treden. De bond is in eerste instantie de partij die op basis van machtsprocessen met overheid en werkgevers een goed pakket van arbeidsvoorwaarden op moet stellen. Daarin past behalve goed overleg ook af en toe spierballentaal, politieke kunstjes en enig machtsvertoon. Dat alles staat haaks op de ontwikkeling van gezagsvolle richtingaanwijzers voor de kwaliteit van leraarschap. Het statuut moet door en voor de beroepsgroep gedragen worden, moet non-politiek en onafhankelijk zijn en een breed draagvlak krijgen. De realiteit van de vakbewegingen is dat amper aan deze voorwaarden voldaan wordt en daarmee zijn bonden ook niet de aangewezen partij om het statuut te onderhouden.
In het Engels is het verschil tussen statue en statute maar één letter. Een professioneel statuut bouwt aan een monument voor leraarschap. Als jongetje voetbalde ik op een plein met daarop een groot standbeeld van Schaepman. Dat beeld dwong respect en gezag af. Ontkerkelijkt als ik ben geloof ik nog steeds wel in de heilzame werking van monumenten. Ze symboliseren het belang dat een samenleving hecht aan een fenomeen. Wat mij betreft wordt het Professioneel statuut de moderne variant van het bronzen beeld van Schaepman.



Meediscussiëren

Wilt u meediscussiëren over
het professioneelstatuut?
Mail uw reactie!

professioneelstatuut@aob.nl

 

 

 

Het professioneel statuut is een initiatief van:
AOb